Een Japanse sauna

We wilden een keer naar zo’n echte Zweedse stuga. Zo’n donkerrood geschilderd huisje, houtgestookt en zonder enige nutsvoorziening. Overal zie je ze staan, schemerend tussen donkere bomen of aan een stil meer, badend in weldadige rust. Voor een weekje hoop je dan simpel te leven zodat je er daarna, terug in het drukke Nederland, weer tegenaan kunt.

Tijdens de zoektocht naar zo’n stuga kwam ik op het internet terecht op de website natuurhuisje.nl. Daar kom je van alles tegen, van ‘hut tot villa’. De site flirt met de behoefte aan back to basics, ‘weg van de massa’. Natuurlijk, je kunt ook ouderwets met je lichtgewicht tentje gaan kamperen, maar dat is tegenwoordig vaak een kwellende bezigheid. Op de meeste campings sta je zielig weggedrukt tussen een leger caravans en campers of je wordt naar een gure uithoek van het terrein weggebonjourd. Zo’n natuurhuisje lijkt een mooi compromis …

Vrij snel presenteerden zich meerdere stuga’s op het beeldscherm. Vervolgens kun je uren bezig zijn met het definitieve keuzeproces … alleen al het lezen van de reviews is een hele klus … gaandeweg kom je er dan wel achter dat de werkwijze van Natuurhuisje, ondanks de alternatieve uitstraling, niet veel anders is dan die van vergelijkbare boekingssites: je schept wat digitale randvoorwaarden, plaatst verleidelijke foto’s en schrijft een paar ronkende teksten … de rest gaat vanzelf, want het zijn de mensen zélf die, via het straf- en beloningssysteem van sterren en commentaren, zo’n site draaiende houden. Kortom, Natuurhuisje is een doorsnee verdienmodel in een groen jasje. Overigens blijft de inhoud van de merknaam nogal vaag. Ergens in de krochten van de site staat het volgende: ‘Het kan voorkomen dat natuurhuisjes op een vakantiepark staan, maar dit zijn kleinschalige parken. Vaak hanteren we hiervoor een maximaal aantal huisjes dat op een dergelijk park mag staan van rond de 30. Daarnaast hebben deze parken geen overdekt zwembad, receptie met slagboom en andere faciliteiten’. Tja … daar moet je het mee doen … en, o ja … uiteraard zijn ze bij Natuurhuisje ook duurzaam bezig: ‘Voor iedere nacht die je boekt, planten wij een boom. Zo zorgen we er samen voor dat we nog jaren van de schitterende natuur kunnen genieten.’

Maar goed, inmiddels heb ik nog steeds geen stuga geboekt … door dat suffe gesurf raak je op een gegeven moment murw … en pas maar op … voor je het weet is iemand je zómaar voor … dus dan klik en klik je … hup … je hebt betaald … en ineens gingen we dus naar een echte stuga! Wel blijft er altijd dat lichte gevoel van onzekerheid. Want ze kunnen je wel van alles wijsmaken, met die groothoeklenzen en foto’s waarop het altijd mooi weer is.

En toen was de dag daar … we reden over die eindeloze Zweedse wegen … het was wel flink zoeken en het navigatiesysteem gaf tegenstrijdige signalen af … maar je verwacht niet anders bij een natuurhuisje … die liggen immers ergens in de verborgenheid. Over een onverharde weg reden we naar het hoofdhuis waar we uiterst vriendelijk werden ontvangen. De eigenaresse ging mee om ter plekke nog het een en ander over het huisje uit te leggen en ‘om de weg te wijzen’. En daar gingen we dan … auto achter auto, door uitgestorven bossen. De laatste 300 meter moesten we lopen, over een bijna overwoekerd pad … en ineens stonden we oog in oog met ons dieprode onderkomen … het zag er net zo uit als op de website!

Bij de voordeur hielden we even stil. De eigenaresse vertelde boeiende verhalen … dat het huisje uit de negentiende eeuw stamt … dat er een boer had gewoond die alles op hout stookte, zoals toen gebruikelijk was … vreemd … terwijl ik naar het smoezelige houtwerk keek voelde ik me een beetje duizelig … even dacht ik dat het door de lange autorit kwam, maar bij nauwkeuriger inspectie bleek dat er werkelijk niets recht was aan het huisje. De balken en planken leken in een labiel evenwicht op elkaar te rusten, als bij een sprookjeshuisje … de heks zou zo wel opendoen …

‘En nu gaan we naar binnen!’ riep de eigenaresse monter. Dat bleek echter een flinke klus. De antieke sleutel (‘nog van de oorspronkelijke eigenaar’) paste niet goed en de deur klemde. Pas na wat duw- en trekwerk viel die open, met een dramatisch, schurend geluid (‘daar raak je snel aan gewend!’). Bukkend (‘mensen waren in die tijd nog niet zo lang’) stapten we naar binnen. Ook binnen herkende ik de plaatjes van internet, hoewel alles in werkelijkheid wat kleiner leek. Het begon te kriebelen in mijn neus … stof … opgedwarreld door onze gewelddadige entree. Ook zwermden dikke muggen rond … natuurlijk, dat hoort bij Zweden, maar je hoopt dan wel op gaas voor de ramen … maar dat was niet te vinden. De eigenaresse liep naar het antieke, houtgestookte fornuis. Een prachtding om te zien! ‘Ik zal uitleggen hoe het werkt …’ zei ze, met een geheimzinnige stem. Uit een mand pakte ze een fraai stuk, roomwit berkenhout (‘van eigen landgoed!’) en dan leer je direct iets … dat de schors van gedroogde berkenstammetjes uiterst brandbaar is … één lucifer is genoeg om het hout te laten ontbranden. ‘En … o ja …’ voegde ze toe, ‘Reken er wél op dat het een tijdje duurt voordat fornuis en oven op temperatuur zijn … maar daar kun je op anticiperen!’ Bij dat laatste woord voelde ik even een scheut wrevel … zo’n hedendaags woord had ik niet verwacht in een natuurhuisje …

De rondleiding ging verder. Het bed bevond zich op een niet-ventileerbaar, laag zoldertje. Dat was even slikken. Eerst moest je via een gammel trappetje omhoog, laverend langs uit het hout stekende, kromgeslagen spijkers. De foto’s van internet gaven nog een romantisch beeld van het slaapkamertje, veroorzaakt door de losjes tegen het puntdak gedrapeerde, witte doeken. Maar al snel kreeg ik door dat die er hingen om de uit het authentieke dak loskomende takjes, mossen en grassen op te vangen. Het keukentje, bereikbaar via weer zo’n klemmend en laag deurtje, zou omschreven kunnen worden als een poliepvormige uitstulping van de huiskamer. Niet meer dan één persoon, met gemiddeld postuur, kon er staan. Schoon water kon je buiten tappen, uit grote plastic jerrycans, na het passeren van nóg zo’n laag en klemmend deurtje. Als laatste wees ze op de ‘eetkamer’: een minimale ruimte waar je, ook met een gemiddelde lengte, alleen gebukt kon staan. Ter compensatie herbergde het kamertje een prachtige open haard geflankeerd door een stapel van die blinkende berkenstammetjes.

De eigenaresse vertrok, ons licht beduusd achterlatend. Er voelde het een en ander niet pluis. En dan ga je redeneren. Eten in een kamer waar je alleen gebukt kan staan? Nee dus. Slapen onder een dwarrelend dak? Ook niet. Dus voerden we een changement door. Van het eetkamertje maakten we een slaapkamer en hingen meteen maar de zelf meegebrachte klamboe op. Eten zouden we gewoon buiten doen. En het zoldertje lieten we het zoldertje.

En dan, na een paar dagen, krijg je zo’n huisje, al doende, definitief in beeld. Wat ik me vooral herinner is het voortdurende bukken en weer rechtop gaan staan. Ook zie ik het langdurig opstoken van het fornuis voor me. Theezetten kostte je zó een half uur. Eén keer, in een poging het kookproces te versnellen, propte ik nog wat extra berkenstammetjes in het fornuis … toen bleek dat lek te zijn … binnen de kortste keren stond de kamer vol rook, wat ook wel weer mooi was, met dat binnenvallende zonlicht. Ook herinner ik me de schamele, onvolledige IKEA-inventaris van het keukentje. De losse, wiebelende vloerdelen. Het meubilair dat je niet naar een kringloopwinkel zou durven brengen. En dan, stap voor stap, kom je tot de conclusie dat dit huisje zich ergens positioneert in het schemergebied tussen bewoonbaar en afbraak. Buiten is al bijna binnen. Laat het een paar jaar leeg staan en de natuur heeft het overgenomen. Dit huisje bevindt zich in de eerste fase van compostering.

Na dagen met ruige tochten in een overweldigende natuur, komt dan die laatste dag in beeld … de eindschoonmaak en eindcontrole. Van die woorden word ik altijd een beetje opstandig. Ze vormen een soort examen: Hoe heb je in het huisje geleefd en hoe laat je het achter? Ben je netjes genoeg geweest? Heb je niets stukgemaakt? En misschien krijg je, als straf, de borg van 50 euro niet terug … tja … en dan probeer je de boel toch een beetje op orde te brengen … maar eerlijk gezegd … op een goede afwas na … het had geen zin … een composthuisje is niet schoon te maken … op een gegeven moment tilde ik zo’n kringloopstoel op … het krioelde er van de muizenkeutels … net als achterin de bestekbak …

De eigenaresse belde. Ze zou even langskomen voor de ‘uitcheck’ … wéér zo’n hedendaags woord, alsof je verblijft op een modern resort met pasjes en scanners. Wat zou ze gaan zeggen? Hadden we toch beter moeten schoonmaken, tegen de klippen op? En, o ja, we hadden zo’n IKEA-waterglas kapot laten vallen … daar kwam ze al aanlopen … zonder veel omhaal liep ze naar binnen, naar het poliepkeukentje. ‘Ik tel altijd de pannen …’ zei ze. ‘Want mensen zetten die op de barbecue en krijgen ze dan niet meer schoon … soms nemen ze zo’n pikzwarte pan mee om elders weg te gooien.’ We liepen naar buiten. Ik vertelde het, van dat gebroken glas … maar ze luisterde er niet echt naar, het ging haar uitsluitend om die pannen. En bovendien wilde ze afscheid nemen, dat was duidelijk. Tóch had ik me voorgenomen om haar, zo aan het eind, van enige feedback te voorzien, op milde wijze en in de ik-vorm, zoals je dat tegenwoordig doet … dat ik vond dat het misschien wellicht toch best echt wel een beetje zinvol zou kunnen zijn om muggengaas voor de ramen te monteren, dit niet als kritiek, maar als vrijblijvend advies … dat ik had gezien dat er een paar spijkers vervaarlijk uit de traptreden staken … dat ik persoonlijk meende te hebben gezien dat er rook uit het fornuis lekte … dat ik … maar ik kreeg nauwelijks ruimte … om mijn punt van het muggengaas in te kunnen brengen, begon ik over muggen in het algemeen … direct flitsten haar ogen defensief heen en weer … haarfijn voelde ze aan waar ik heen wilde … ze onderbrak me en zei, met een melodieuze stem: ‘Maar dit is een natúúrhuisje!’ … en ik viel stil … we vielen allemaal even stil, eeuwigdurende secondes lang … ik hoorde de wind door de boomtoppen ruisen en in de verte klonk een vinkenslag. Daarna hoestte ze, om de stilte te doorbreken. We wisselden nog wat plichtmatige zinnen uit. Tenslotte vroeg ik naar tips voor Stockholm, want daar gingen we heen … en wéér viel er zo’n stilte … ze opende haar mond, sloot die weer en dacht lang na … ik hoopte op een gouden tip, buiten de gebaande paden, weg van de massa … een natuurhuisjetip … ‘Ach ja …’ hervatte ze, op dromerige toon, ‘In Stockholm … daar is een Japanse sauna!’.