Terrorplant

Iedereen kent het verschijnsel. Jarenlang zie je iemand in het voorbijgaan, met je ooghoeken, vaag en vluchtig. Maar dan ineens is er die echte ontmoeting. Met planten kan je iets vergelijkbaars overkomen. Zo kende ik van de Japanse Duizendknoop slechts de globale gestalte en het gegeven dat ze overwoekerende groeikracht heeft. Dat was het wel zo’n beetje. Maar toen kruiste ze mijn pad, liefst drie keer op één dag. En niet op positieve wijze, want er hangt onrust en bezorgdheid rondom deze plant, soms zelfs vijandschap en haat. Vandaar de vele negatieve bijnamen die ze heeft, met ‘terrorplant’ als overtreffende trap.

De ontmoetingen vonden eind augustus plaats, op een mooie nazomerdag, tijdens een fietstochtje door Amsterdam. Ik doorkruiste de stad omdat ik op verschillende plekken moest zijn. Een beetje dromerig, zoals dat gaat als je fietst onder een mild zonnetje en met een zacht briesje om je heen, reed ik door de straten, mijmerend over de dingen die me op dat moment bezighielden. En toen, vanuit het niets, schreeuwde een waarschuwingsbord me toe. Ik remde af en las de alarmerende kop: ‘Niet maaien! Hier groeit Japanse duizendknoop!’. En, inderdaad, achter het bord torende een reusachtige, wel drie meter hoge haag de lucht in, fier en onverzettelijk.

Ik stapte af om de begeleidende tekst beter te kunnen lezen. Niet echt iets nieuws. De bekende open deuren. De plant is een probleem, een ‘exoot’, die hier niet thuishoort. Erger nog: ze is ‘invasief’, neemt explosief toe en heeft hier geen natuurlijke vijanden. Daarom groeit ze zo hard, in funderingen van huizen en rioolbuizen. Maaien lijkt dan de voor de hand liggende strategie, maar uit de achtergebleven stengels en wortels komt ze kwadratisch terug. Afblijven dus, dat is de boodschap van het waarschuwingsbord. En, o ja, wilt u zo vriendelijk zijn om nieuwe vindplaatsen te melden bij de gemeente, via het speciale emailadres?

Ik fietste verder. Een kwartiertje later vond de tweede ontmoeting van die dag plaats. Dit keer was het geen waarschuwingsbord dat de aandacht trok, maar een atypisch bermbeeld: Duizendknopen groeiend in grote, witte zakken. Weer remde ik af. Het begeleidende bord bezigde ook hier de bekende dreigtaal: de plant ondermijnt ‘infrastructuur en waterwegen’ en het beheer is ‘moeizaam en kostbaar’. Maar er klonken niet alleen waarschuwingen. Ik bleek deelgenoot te zijn van een uniek veldexperiment, een proeflocatie ter bestrijding van de Fallopia japonica. Even raakte ik afgeleid door de fraaie, poëtische klank van deze officiële Latijnse naam. Want wat een prachtige klanken kwamen hier samen met in zowel het eerste als het tweede woord dezelfde opeenvolging van de klinkers a-o-i-a … direct zat de exotische naam in mijn geheugen geëtst …

Ik las verder. In de witte zakken zouden exemplaren zitten van een natuurlijke, in Japan levende vijand van de Duizendknoop, de Japanse Bladvlo. Ik boog voorover, maar kon geen beestjes onderscheiden. Hoe dan ook, het idee achter het experiment klonk logisch. De vlo zuigt sap uit de plant met als gevolg opgekrulde blaadjes en algehele verzwakking. Een vorm van biologische bestrijding, wat altijd goed klinkt. Maar toch ga je dan doordenken. Want bestaat er geen risico dat ook die vlo invasief wordt? Gelukkig had het bord mijn gedachten al gelezen, want geruststellend stond er: ‘De vlo is veilig voor mens en dier’. Ik tuurde nog een tijdje naar de witte zakken. Het tafereel oogde absurd en had de allure van een kunstwerk op het raakvlak van natuur en cultuur.

Ik moest verder, want ik had een afspraak. Ik trapte flink op de pedalen maar niet veel later hield Fallopia me weer staande. Even voelde het alsof het universum samenspande om me definitief in te prenten dat de Duizendknoop inderdaad het Grote Plantaardige Kwaad is. Weer prijkte een opvallend informatiebord in de berm, dit keer met de titel ‘Werkzaamheden’. Dat doen de groenbeheerders goed tegenwoordig, communiceren. Zo creëren ze draagvlak voor de beheersmaatregelen, die in dit geval niet mals bleken te zijn: ‘Hier wordt 5x per jaar de Japanse Duizendknoop bestreden met elektriciteit’. Elektriciteit? Krampachtig probeerde ik me een voorstelling te maken van de werkzaamheden. Een medewerker stond klaar met een luidruchtig draaiende maaimachine, terwijl een andere medewerker grote elektrodes op de plant drukte en in de bodem stak. Elektrocutie … weer zo’n variant van de war on terror tegen de Duizendknoop. Je vraagt je af: zouden de verschillende stadsdelen wel overleggen over al die uiteenlopende strategieën? Al met al blijkt dat deze plant een taaie rakker is. Ze overleeft begrazen en afbranden, is bestand tegen bestrijdingsmiddelen en doet het ook nog eens goed op vervuilde bodems.

Tja, en probeer dan maar eens, tegen de stroom in, nog iets positiefs over zo’n plant te bedenken. Op de informatieborden zul je daar tevergeefs naar zoeken en ook in de literatuur tref je steevast dezelfde stereotyperingen aan. Framing is blijkbaar, als het planten betreft, nog steeds geen taboe. Maar ik laat me de Japanse Duizendknoop niet afnemen. Want, hoe je het ook wendt of keert, als je oog in oog met haar staat maakt ze diepe indruk, met die roodbespikkelde, holle stengels, de bladeren met het subtiele lichtgroen. Toch, na enig gespit, kom je wel degelijk andere dan de gebruikelijke verhalen tegen. Bijzonder is bijvoorbeeld dat de aankomst van deze exoot in Nederland precies traceerbaar is. De Duitser Von Siebold is hiervoor verantwoordelijk. In de jaren twintig van de negentiende eeuw werkte hij in Nederlandse dienst op een handelspost op het Japanse eiland Decima. Na zijn vertrek nam hij een grote collectie planten mee naar Nederland en zette die uit op een kwekerij in Leiderdorp. Daar moet de zegetocht van de Duizendknoop begonnen zijn.

Maar er is meer opvallends te melden. Deze soort (ik laat de minder voorkomende Boheemse en Sachalinse Duizendknoop hier buiten beschouwing) blijkt alleen in vrouwelijke vorm voor te komen en vormt dus geen zaden. Dat scheelt weer in de verspreiding, zou je denken. Maar ze blijkt in het bezit te zijn van een aantal vernuftige, compenserende strategieën. Zo kan elk stukje stengel vanuit de knopen uitgroeien tot een volledige plant. Maar de grootste troef die Fallopia in handen heeft, is het wortelstelsel. Ze blijkt maar liefst drie typen wortels te bezitten. Uiteraard draagt ze de gebruikelijke fijne worteltjes voor de opname van bodemwater, maar daarnaast herbergt ze ook meterslange, horizontaal groeiende uitlopers die frequent omhoogschieten, nieuwe planten vormend. En dan heeft ze ook nog diepgroeiende, verticale penwortels waarmee ze zich verankert in de bodem.

Nee, die gaat niet zomaar opzij.

En als je dit soort dingen weet, dan ga je om, althans, zo werkt het bij mij. Eerst sta je nog in drievoud tegenover een agressieve terrorplant, maar onvermijdelijk, met elk nieuw feit dat opdoemt, kantelt het aanvankelijke beeld in de richting van verwondering, bewondering, ontzag. En ineens is ze een vriend van je, nou ja, vriendin in dit geval. De klap op de vuurpijl was voor mij het volgende feit. In het moederland van onze Duizendknoop, Japan, blijkt ook een dwergvorm voor te komen die iets bijzonders doet: als pionier groeien op lavavelden en vulkanische as. Zo maakt ze een begin met het leefbaar maken van de bodem. Dit fascinerende gegeven ervaar ik als een spiegel van ons eigen, menselijke handelen. Want ook onze bodem is zelden in rust. We ploegen en boren er met machines doorheen, leggen er eindeloze lappen asfalt overheen en creëren duizelingwekkende infrastructurele werken. Zo’n beetje elke kubieke meter Nederlandse bodem is wel eens door mensenhanden of een machine gegaan. Met die dwergvorm van de Duizendknoop in het achterhoofd kunnen we anders naar de plant kijken, niet zozeer als een last, maar als een organisme dat ons landschap leefbaar probeert te maken. Maar het eindresultaat van dit vermogen zien we niet. Zelden wachten we af wat er gebeurt als we de natuur zélf het werk laten doen. Want hoe ecosystemen die zogenaamd tomeloze groeikracht van deze nieuweling op? Eigenlijk weten we het niet, want mensen willen handelen, oplossingen bieden op de korte termijn. Je kunt het ook anders zeggen: we hebben geen vertrouwen in de zelfregulerende, evolutionaire kracht van de natuur. Of: we hebben geen geduld, onwetend als we zijn van de plantentijd, die langere bogen trekt dan de menselijke tijd. Mensen hebben haast, eindeloze, eeuwige haast.

Trouwens, mocht de Duizendknoop zich in je nabijheid gevestigd hebben, wacht dan even met de maaimachine, de gifspuit of de elektrodes. Doe het volgende en tevens zul je dan met andere ogen naar haar gaan kijken. Snij een voorjaarsstengel in stukjes. Maak een stevig pannenkoekenbeslag en verwarm olie tot zo’n 180 graden. Dip de stukjes in het beslag en dompel ze een paar minuten in de hete olie. Binnen de kortste keren ligt er een verrassende snack op je bord met een lichtzure smaak, wat niet verwonderlijk is, want de Japanse Duizendknoop is familie van de Rabarber … if you can’t beat her, eat her