Tijdelijke Natuur

Het is nog vroeg en muisstil, de lucht waterig en loodgrijs. Vanuit de mist doemen roerloze windmolens op. Ik fiets langs het Noordzeekanaal, in de buurt van Spaarndam. Al lange tijd nam ik me voor om hier weer eens rond te kijken. Want hoe zou het gaan met die kleine wildernis met de fascinerende naam ‘Tijdelijke Natuur’? Zou ze inmiddels zijn uitgegroeid tot een weelderig paradijs? Of verdwenen zijn? 

Toen ik het begrip Tijdelijke Natuur voor het eerst tegenkwam, zoog het zich direct in me vast. Want hoe kun je twee onderling zo tegenstrijdige woorden in één begrip samenvoegen? Voor mij is natuur iets dat eeuwig is, verandert, zichzelf steeds aanpast. Zoiets kan toch niet tijdelijk zijn? Toch hebben beleidsmakers het begrip bedacht, en wel als een juridisch construct. Het is een oplossing voor het dilemma waar terreineigenaren soms mee kampen, als ze braakliggend terrein bezitten en nog niet weten wat ze ermee willen doen. Laat je de natuur die zich er ontwikkelt haar gang gaan? Maar dan bestaat de kans dat er zich ongemerkt beschermde planten en dieren vestigen. Als grondeigenaar kun je dan, als je inmiddels plannen hebt voor het gebied, worden teruggefloten. Door een kolonie oeverzwaluwen. Een zeldzame orchidee. Een rugstreeppad. Anders gezegd: Natuur, je mag hier je gang gaan, maar de kans bestaat wel dat je vroeger of later alsnog het terrein moet verlaten. 

Een informatiebord houdt me staande. Dit is Spaarnwoude, het recreatiegebied dat zich uitstrekt tussen Haarlem, Velsen, Halfweg en Amsterdam. Het is volledig mensgemaakt, maar toch met de suggestie van natuur en wild. Het bord meldt een caleidoscoop aan mogelijke activiteiten. Er is een skeelerbaan, een kynologenclub, meerdere golfclubs, een Big Spotters Hill, een bijentuin, jachthaven, maneges, een pannenkoekenboerderij, skibaan, vogeleiland, een zoogkoeien- en melkveebedrijf. En dit is nog maar een selectie uit het aanbod. De boodschap is: geef iedereen een plek om z’n ding te doen, en we zijn allemaal tevreden. 

Ik tuur op de kaart, maar nergens staat mijn Tijdelijke Natuur aangegeven. Ben ik met een zinloos project bezig? Jaag ik op een fantoom? Met een licht drukkend gemoed fiets ik verder. 

Jaren terug, tijdens een wandeling langs het Noordzeekanaal, kwam ik Tijdelijke Natuur voor het eerst tegen. Ik las het begrip op een verweerd informatiebord. Op mijn telefoon staat nog de foto die ik ervan maakte. Erop staat een zomers, luchtig, romantisch tafereel. Het water van het kanaal kleurt mediterraan blauw. Je krijgt zin om erin te duiken. Op het land veelkleurige bloemen in pasteltinten, kruipende padden, in de lichtblauwe lucht vogels. Van het terrein zelf weet ik nog hoe ondoordringbaar het was. Lange uitlopers van bramen versperden smalle paadjes en ik zakte weg in een moerassige, enkeldiepe plas. Met natte schoenen liep ik de dijk op, waar zich een weids uitzicht ontvouwde. De zon schitterde op het brede kanaal, terwijl in de verte de rode containerkranen in de Afrikahaven als nijvere spinnen ronddraaiden. Naast het gebied lag een industrieterrein, omgord door reusachtige windmolens en bezaaid met puntige heuvels van opgeworpen steenkool. Het atypische landschapsbeeld beitelde zich vast in mijn geheugen. Ja, daar ging ik zeker nog een keer terugkomen. 

En nu is het dan het zover. 

Maar, rondfietsend, laat mijn geheugen me vooralsnog in de steek. Waar ben je, Tijdelijke Natuur? Ja, daar is dat mooie gemaal, met de naam Houtrakpolder. Hier was het toch ergens? Ik parkeer mijn fiets en loop over een onverhard pad de dijk op van het Noordzeekanaal. Daar stuit ik op een groen, halfopen koepeltentje. De bijbehorende visser ziet me weliswaar, maar vist stoïcijns verder. Twee gele, fel fluorescerende hengels hangen boven het water. Ze zijn de enige lichtpuntjes in het verder door en door grauwe landschap. Intuïtief loop ik naar hem toe. Misschien weet hij, als ongetwijfeld vaste bezoeker van deze oever, waar de Tijdelijke Natuur precies ligt. 

Op een paar meter afstand stop ik en kijk in zijn tentje: een kooktoestelletje ruist, een plastic mok en potje oploskoffie staan in de aanslag, naast een opengesperde viskoffer. Een draagbare radio staat zachtjes aan. Ik herken de muziek. Mozart. Requiem. Het Lacrimosa. Wat een prachtige melodielijn is dat toch, zelfs via dat miniradiootje is dat te horen! 

Ik wacht op mijn kans, en als zijn hoofd iets in mijn richting draait, breek ik het ijs: ‘Ah … Mozart!’ 

Zijn hoofd draait ietsje verder naar me toe. Rare snuiter, zie ik hem denken, met een spottende blik. Hij mompelt iets onverstaanbaars, in het Engels, zo lijkt het. Lange seconden kijken we naar het water, samen met Mozart en die fluorescerende hengels. Even is er geen vliegtuig in de lucht. Doodstil is het. En dan floep ik mijn woorden eruit en besef me direct hoe gênant ze zijn: ‘Do you know where I can find the Tempory Nature?’ 

Een tel kijkt hij recht in mijn ogen en maakt dan met zijn arm een afwerend gebaar. Inderdaad, ik moest maar eens gaan. Sorry, visser, dat ik je territorium heb betreden! Dus loop ik weg, in de richting van zijn armgebaar, verder de kanaaldijk op, een groot verbodsbord van de ‘Port of Amsterdam’ negerend. Bovengekomen ontvouwt zich een onverwachts panorama. Ik verwachtte het stille, gladde wateroppervlak van het Noordzeekanaal. Maar in plaats daarvan zie ik een rij aanlegsteigers met vrachtschepen ernaast. Het geheel lijkt betrekkelijk recent te zijn aangelegd. Waar ben je nou toch, Tijdelijke Natuur? Ik pak mijn telefoon en zoek naar de foto die ik jaren geleden van haar maakte … inderdaad … dezelfde serie windmolens, in dezelfde opstelling. 

Dit is dus de plek die ik zoek. 

Gedesoriënteerd loop ik wat rond over een hobbelige en met zwerfvuil bezaaide grasvlakte. De Tijdelijke Natuur lijkt definitief opgeslokt door de gulzige Afrikahaven. Niets wilds is er nog te bekennen. De bramen zijn weggemaaid en er staan rijen jonge boompjes, strak in het gelid, alsof het om een plantage gaat. 

Ik loop terug en slenter langs de aangelegde schepen. Ze hebben prachtige, de verbeelding tartende namen. Het eerste schip heet Canford. Zegt me niets. Ik pak mijn telefoon, google de naam en kom terecht op een fascinerende site waar je via een zoekvenster het doen en laten van schepen kunt volgen. Ik tik de naam in. Direct volgt info. Het is een tanker, met een afmeting van 135 bij 15 meter. Je kunt zelfs volgen waar het schip is geweest en waar het heengaat!

Stadt München.

Dat is tenminste een duidelijke naam. Trouwens, kun je over het water München bereiken?

Tasmanzee

Verder kun je op aarde niet komen.

Izar

Nooit van gehoord … het blijkt de naam te zijn van een dubbelster, in het sterrenbeeld Ossenhoeder. Is 300 miljoen jaar geleden ontstaan. Eén van de twee sterren is bijna aan het eind van zijn ontwikkeling en zal uitsterven als een ‘witte dwerg’. De andere wacht hetzelfde lot, en dooft over ongeveer een miljard jaar uit als een ‘oranje reus’ …

Atlantis.

Ach ja, het mythische, paradijselijke eiland dat, volgens Plato, door het water werd verzwolgen.

Ik struin nog wat door het gebied. Opmerkelijk: er staan een paar kleine duindoornstruikjes. En als je die ziet, dan weet je genoeg. Het kan niet anders dan dat de bodem hier zanderig is en waarschijnlijk ooit is opgespoten, voor de toekomstige ontwikkeling van de haven die nu dus een feit is. Zo verraden een paar nietige duindoorns het lot van dit stukje aarde. En ik besef me dat Tijdelijke Natuur de meest absurde vorm van natuur is. Want je bewijst pas haar bestaan, als ze is verdwenen.